In een veld vol bloemen liep een hond zonder naam, alsof hij ontsnapt was uit iemands droom. De zon kleurde zijn vacht goud, terwijl klaprozen tegen hem fluisterden in een taal die alleen vrije zielen verstaan. Hij blafte niet, hij glimlachte — naar de wind, naar de aarde, naar het niets. En even leek het alsof de wereld weer ademde zoals vroeger, zacht en zonder haast.








